• Marije van der Star

Waarom we zo graag in oplossingen denken

Bijgewerkt op: 4 jul.

Tijdens mijn innovatielessen op diverse HBO-opleidingen werden studenten soms echt boos op me. Ik wéét al wat de beste oplossing is, waarom moet ik dan al dat onderzoek doen?” of “We hebben al een idee! Waarom moeten we nog zes keer verder brainstormen?” Maar aan het einde van de lescyclus was (bijna) elke student bijgedraaid. Want ze waren op een andere - beter passende en creatievere - oplossing gekomen. Dat was niet gelukt als ze meteen voor idee 1 waren gegaan.


Vraag blijft: waarom denken wij zo in oplossingen en waarom denken wat ons eerste idee meteen de beste is?


1. We houden er niet van om te dobberen…

Niet weten waar je aan toe bent. Dat is verschrikkelijk. We houden er niet van om te zweven, te proberen, te zwemmen. Liever werken we meteen naar een oplossing en daarvoor poppen er allerlei ideeën omhoog. Daar kun jij niets aan doen, onze hersenen zijn zo geprogrammeerd. Die leggen in no time allerlei verbanden en gebruiken daarbij het liefst zo min mogelijk energie (dus zo min mogelijk denkkracht).


Dat is heel handig als je snel moet reageren (in een noodsituatie) en zorgt er ook voor dat je allerlei dingen automatisch doet (je hoeft niet heel hard na te denken over naar de wc gaan, bijvoorbeeld). Maar dat veroorzaakt meteen punt 2.


2. We plakken graag onze eigen ideeën op andere mensen

Omdat ons brein zo snel werkt, zijn we (onbewust) erg geneigd om mensen te labelen. Hokjes denken. Niemand wil het, maar we doen het toch. We bedenken waarom mensen een probleem hebben en gaan dat voor ze oplossen. Zonder het probleem en de doelgroep te begrijpen. Eerste gedachten kunnen zijn: oude mensen snappen niet hoe een smartphone werkt. Jongeren informeren over politiek? Dan bereik je ze alleen via instagram met korte berichten. Of om meer diversiteit op de werkvloer te krijgen, moeten we vrij geven met Ramadan. En dan zijn we er.


Het kan zijn dat dit soort ideeën waar zijn. Of niet.


Misschien gebruiken oudere mensen een app niet omdat de letters te klein zijn. Of zijn jongeren wel degelijk geïnteresseerd in politiek, als je maar hun tone of voice gebruikt. En als je meer diversiteit wilt, is het wellicht niet zo’n goed idee om in je vacatureteksten te vermelden dat jullie elke vrijdagmiddag een borrel hebben waar iedereen bij aanwezig is... Wie weet?


3. Jouw idee is het beste idee. Toch?

Omdat je denkt dat je helemaal op het juiste spoor zit, word je verliefd op je eigen idee. Dat ligt niet aan jou, ook dat ligt aan je hersenen. Jij dénkt uiteraard door bovenstaande processen dat je ideeën fantastisch zijn, maar je eerste idee is vaak het slechtste idee. En ook nog het minst originele, waarschijnlijk hebben heel veel mensen dat idee al een keer gehad. Leg je je idee neer bij je doelgroep, dan wordt het waarschijnlijk afgeschoten.


Bummer.


Door je eerst goed in te leven in je doelgroep (door onderzoek te doen, te empatizen) leer je die veel beter kennen en weet je hoe je ze kunt bereiken, raken of overtuigen. Als je vervolgens je eerste ideeën verwerpt en door blijft brainstormen (ideaten), zul je tot verrassende nieuwe inzichten en ideeën komen.


Kortom, verwerp je eerste idee. Je beste idee komt later


Stralende gezichten hadden mijn studenten vaak aan het einde van een lesblok. Hoewel ze onderzoeken, sudderen, herschikken en weer tot een nieuw idee komen écht verschrikkelijk vonden, waren ze enorm trots op het eindresultaat.


Een greep uit de oplossingen van ‘mijn’ clubjes? Een gouden glitterdouche waar muziek uitkwam, die ervoor zorgde dat jongeren met een gedragprobleem het leuk gingen vinden om te douchen. Een spelshow waar (hang)jongeren en ouderen moesten samenwerken en zo minder angstig voor elkaar werden. Een podcast van meer dan een half uur, speciaal voor millenials, om ze zo te interesseren in de lokale politiek.


Hier spreekt een trotse docent.


Ga naar de overzichtpagina over Design Thinking